uitgebreid
kort
prijzen
meer info

Mathieu Dijker wordt op 29 juni 1927 geboren als tweede van acht kinderen in een Amsterdams gezin waarin muziek en het Katholieke geloof een centrale rol spelen. Zijn muzikale aanleg wordt al vroeg herkend door Jos Antoni, dirigent in de kerk De Liefde aan de Bilderdijkstraat waar Mathieu’s eveneens muzikale vader zingt. Op 8-jarige leeftijd zingt Mathieu als jongenssopraan in de kerk van de Thomas-parochie bij Bernard Bak, later in het koor van Theo van der Bijl (ook componist) in de Grote Willibrordkerk. In zijn eigen woorden: Dat was een goed voorbeeld. Repertoire voornamelijk meerstemmig, missen van Palestrina, enzovoort, tot eigentijds (van die tijd natuurlijk) en cantates zoals voor Kerstmis: ‘Over heuvelen en dalen klinglen klokjes wijd en veer…’ van eigen dirigent, en Albert Thoenis aan het Adema-orgel van vier klavieren. De mannen zingen het gregoriaans en met palmzondag alle jongens in toog en superplie de kerk door.

Sterk bepalend voor het verdere leven is de intentie tot het intreden bij een kloosterorde, zoals ook geldt voor al zijn broers en zussen. Na enige omzwervingen gaat hij na de lagere school naar het Assumptiecollege in Boxtel. Een houten kapel met een groot(!) harmonium en pedaal en een ruimte die niet klinkt, maar waar het gregoriaans een grote plaats innam voor iedereen. Met in het dorp het prachtige Smits-orgel waar je les op krijgt van mijnheer Driessen. Dat klikt niet erg maar het was toch mooi meegenomen, en mopperen mocht je toch niet.

Vanwege de oorlog sturen de paters in juni 1944 de leerlingen tot en met de vierde klas naar huis. Zo komt Mathieu terecht in de hongerwinter. Hij brengt deze deels door in Egmond bij de Hoef, waar hij, zoals veel kinderen, bij boeren verblijft waar wel te eten is. De oorlog maakte een enorme indruk. Dit komt duidelijk naar voren in zijn indrukwekkende compositie De Trein naar Sobibor (1999), opgenomen op de CD De Waanzin van deze Wereld van Kamerkoor Ad Parnassum.

Na de bevrijding gaat Mathieu terug naar de Assumptionisten in Boxtel. Hierna volgt een jaar noviciaat (in Halsteren) en hij treedt in. Vervolgens woont hij zeven jaar in het klooster in Bergeijk. Hier volgt verdieping in filosofie en theologie, om in 1954 tot priester te worden gewijd. De Assumptionisten geven hem de mogelijkheid verder te studeren, en het wordt muziek: van 1954 tot 1962 aan het Pontificio Istituto di Musica Sacra in Rome.

De ‘Corso Organo Principale’ bij Ferruccio Vignanelli, de ‘Corso di Composizione Sacra’ bij Domenico Bartolucci, de ’Corso Ordinario Canto Gregoriano’ bij Dom Cardine evenals (als auditeur) de speciale – monografische - ’Corso Superiore di Canto Gregoriano e Musicologia’. Dat was een geweldige ervaring. Het echte werk: orgel bij Vignanelli, gregoriaans bij Dom Cardine (ontdekking, bewondering, zijn zingen!), compositie bij Domenico Bartolucci vanuit de klassieke polyfonie en nog veel meer. In 1959 resulteert het diploma Magisterium in Orgel, in 1960 het diploma Magisterium in Compositie, beide magna cum laude. In datzelfde jaar ontvangt hij voor zijn ’Missa Toni Deuteri’ en enkele motetten de aanmoedigingsprijs voor jonge kerkmuziekcomponisten van de Pascal Schmeits Stichting, samen met zijn Romeinse studievriend Maurice Pirenne (zie ook: interview met Maurice Pirenne en Mathieu Dijker uit het Brabants Dagblad van 13 juli 1992). Eveneens in 1960 krijgt hij de derde prijs voor de compositie ‘Trio-Suite voor orgel’, bij de orgelcompositiewedstrijd ter gelegenheid van de ingebruikname van het gerestaureerde orgel in de Sint Jacobskerk (Grote Kerk) in Den Haag. Tussendoor in Nederland studeert Mathieu privé nog harmonieleer bij Jan Felderhof.

Hierna promoveert Mathieu summa cum laude bij Prof. Igino Anglès en Prof. Bartolomeo di Salvo tot doctor in Musica Sacra met specialisme Grieks-Byzantijnse muziek. De titel van het (in het Italiaans geschreven) proefschrift is I Prokeimena del Psaltikon. Via de Assumptionisten met hun grote werkzaamheid in het Christelijke Oosten ontstond belangstelling voor de byzantijnse liturgie en kerkmuziek, die steun geeft aan de ervaring in de gregoriaanse zang.

Terug in Nederland in 1962 krijgt Mathieu de taak verder te gaan met wetenschappelijk werk in de muziek en hij gaat onderwijs geven, onder andere op de Kerkmuziekschool in Utrecht. Voor de nieuwe kerk Maria Regina in Boxtel zet hij koren op. Als gevolg van het Tweede Vaticaans Concilie is Nederlands bijgevoegd in de liturgie, maar muziek is nog niet voorhanden. Mathieu componeert dan, in 1965, de eerste Nederlandstalige mis: de ‘Reginaalmis’.

In 1966 treedt Mathieu uit het priesterschap. Maar de Katholieke Kerk blijft hij onverminderd trouw, ook als musicus. Hij blijft dirigent bij de koren van de Maria Reginakerk. Daarnaast wordt hij muziekleraar op een aantal scholen. Op één van deze scholen ontmoet hij zijn toekomstige echtgenote, Jeanne Damen (zij krijgen twee zonen). Ze gaan eerst wonen in Eindhoven en daarna in Heeze. Mathieu neemt afscheid van de Maria Reginakerk. Hij blijft echter niet lang zonder koor: hij krijgt in 1970 de muzikale leiding in de kerk van de Paters Augustijnen in Eindhoven, door bemiddeling van organist-titularis van deze kerk Dorthy de Rooij, met wie hij vanaf dat moment nauw samenwerkt. Hij blijft de Augustijnenkerk trouw tot en met het jaar 2006. In eerste instantie is er een koor dat bestaat uit jongens en mannen, maar vanaf 1973 wijzigt Mathieu dit en leidt hij het dubbelkwartet Musica Sacra evenals een gregoriaans koor. Veel van zijn composities komen tot stand voor en worden uitgevoerd in deze kerk. Tijdens diensten, maar ook bij ‘Concerts Spirituels’ na de zondagse hoogmis.

Vanaf 1975 tot en met 1986 doceert Mathieu algemene vakken (solfège, harmonieleer en contrapunt, en analyse) en gregoriaans aan het Conservatorium te Utrecht. Ook in 1975 behaalt hij het praktijkdiploma beiaardspel aan de Nederlandse Beiaardschool te Amersfoort bij Peter Bakker. Hij schrijft een aanzienlijk aantal werken voor beiaard, waarvan er vijf bekroond zijn bij compositieconcours van de Mechelse Beiaardschool. Vanaf 1979 leidt Mathieu het klein symfonie-orkest Concertino, waar hij ook voor componeert. Dit blijft hij doen tot en met 2009.

Mathieu richt in 1990 het vrouwenkoor Voci Bianche op. Een koor dat op een ‘projectmatige wijze’ werkt: voor elk optreden worden zangers bij elkaar gezocht en wordt vervolgens met snelle en efficiënte repetities de voorbereiding gedaan. Met een wisselende samenstelling van maximaal 12 zangers brengt Voci Bianche gevarieerde programma’s op hoog niveau, waarbij telkens het gregoriaans een betekenisvolle rol speelt. Mathieu ziet hier de kans al zijn kennis en kunde op het gebied van gregoriaans toe te passen, ook in relatie tot zijn studies naar de Grieks-Byzantijnse muziek. Ook componeert hij verschillende werken voor Voci Bianche.

Door de jaren heen breidt het oeuvre van Mathieu zich steeds verder uit, zoals de catalogus Opera Omnia laat zien. Vele composities, geestelijk en profaan, voor allerlei bezettingen, vaak in opdracht. Zijn idioom ontwikkelt zich in vrije modale richting tot een melodisch en dissonantenrijk contrapunt binnen een in den brede toch consonant veld. De muziek van Mathieu heeft altijd de mogelijkheden van de uitvoerder als belangrijk uitgangspunt. In 2004 wordt hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau bij een uitvoering van zijn orkest Concertino, in 2006 tot Ridder in de Orde van de Heilige Paus Sylvester in zijn geliefde Paterskerk in Eindhoven.

In het kader van zijn 40-jarig bestaan heeft het Strijps Kamerkoor uit Eindhoven in 1999/2000 speciale aandacht gegeven aan het werk van Mathieu, resulterend in de catalogus Opera Omnia (samengesteld door Michel de Kort en Mathieu), een dag geheel gewijd aan de uitvoering van werken van Mathieu (begin 2000 in Oirschot), en een CD (Een 'Monument' voor Mathieu Dijker), waarop verschillende koren werken van Mathieu ten gehore brengen. Ter gelegenheid van zijn 35-jarig jubileum nam Kamerkoor Ad Parnassum o.l.v. Anthony Zielhorst in 2015 de CD De Waanzin van deze Wereld op, gewijd aan drie werken van Mathieu, en werden gedurende het jaar werken van de CD uitgevoerd tijdens verschillende concerten.

Wanneer Mathieu op leeftijd is gekomen, en gestopt is met zijn werkzaamheden bij de Augustijnen, is hij nog enige tijd organist bij de Congregatie van de Franciscanessen van Oirschot. Hierna heeft hij geen officiële betrekkingen meer. Ook worden zijn componeeractiviteiten duidelijk minder, in combinatie met een teruglopende gezondheid. Zijn laatste compositie schrijft hij in 2013 voor het eeuwfeest van de heilige Oda, in opdracht van de parochie van de Heilige Martinus van Tours in Sint Oedenrode. Dit Sancta Oda Levenslied wordt voor het eerst uitgevoerd op 17 november 2013 tijdens de Odaviering in aanwezigheid van Bisschop Hurkmans.

Aan het eind van zijn leven lijdt Mathieu ernstig aan dementie. Een moelijke levensfase, tijdens welke blijkt hoe fundamenteel muziek en met name het gregoriaans voor Mathieu zijn geweest. Wanneer veel niet meer lukt, zingt Mathieu tijdens de mis het gregoriaans nog altijd uit het hoofd en vloeiend mee, bijna tot het eind van zijn leven. Na een kort ziekbed overlijdt Mathieu Dijker op 11 juni 2018 in Heeze.

[klik op de afbeeldingen voor een vergroting]

1ste klas lagere school, 1 september 1933

29 augustus 1944

In Egmond a/d Hoef, 1 mei 1945

Internaat van de Assumptionisten in Boxtel

Mathieu Dijker met ouders, broers, zussen en zwagers en schoonzussen

Kasteel Stapelen van de Assumptionisten in Boxtel

In Rome (februari 1955)

Nabij Paus Pius XII, 9 juli 1958



Met Domenico Bartolucci en Maurice Pirenne in Utrecht in 1963

Orgelconcert in Bergeijk in 1964

Met het koor Maria Regina (Boxtel)

Met het koor Maria Regina (Boxtel)



Met kamerorkest Concertino in Geldrop in 1989

Musicischets van Kees Houtman

Orgelconcert St Jan Den Bosch, 16 augustus 1997

In de Paterskerk in Eindhoven, 14 oktober 2005

Met Musica Sacra in de Paterskerk in Eindhoven, afscheidsconcert op 23 april 2006

6 augustus 2008
×